Mineralen kan men in alledaagse woorden omschrijven als de mooie stenen die men
in de natuur zelf kan vinden, die in museums te bewonderen zijn of die door
winkels te koop worden aangeboden. Er is ook een wetenschappelijke definitie
van, die is opgesteld door de International Mineralogical Association:
“Een mineraal is een element of chemische verbinding die normalerwijze
kristallijn is en gevormd werd als het resultaat van een geologisch proces”.
Dat betekent:
een mineraal is kristallijn, of op zijn minst als
fase éénduidig karakteriseerbaar
een mineraal is stabiel bij temperaturen tussen -60 en +60 graden Celsius
water is dus geen mineraal, ijs wel; een paar (historische) uitzonderingen zijn
kwik en barnsteen
“slakken-mineralen” (zoals die ontstaan op storthopen van bv. smelterijen)
worden niet meer beschouwd als mineraal, maar de reeds beschreven soorten
blijven wel erkend
een mineraal is pas erkend na goedkeuring door de International Mineralogical
Association, die ook beslist over twijfelgevallen
ook buitenaardse stoffen (bv. van de maan afkomstig) die aan deze voorwaarden
voldoen, zijn mineralen
Inleiding
Mineralen worden, zoals alle elementen uit de natuur, gerangschikt volgens een
classificatiesysteem. Er zijn verschillende systemen, die evenwel alle berusten
op de scheikundige samenstelling en de kristalbouw van de mineralen. Het meest
gebruikte systeem is dat ontworpen door de Duitser Hugo Strunz. Hierbij worden
de mineralen op grond van hun samenstelling in 10 klassen onderverdeeld:
elementen
sulfides, arsenides, antimonides, bismutides, tellurides en selenides
halogenides
oxydes en hydroxides
carbonaten en nitraten
boraten
sulfaten, chromaten, molybdaten en wolframaten
fosfaten, arsenaten en vanadaten
silikaten
organische verbindingen
Deze klassen worden verder onderverdeeld. Elementen hierbij zijn de aan- of
afwezigheid van vreemde anionen en van water, en de complexiteit van de bouw
(vooral bij boraten en silikaten)
Enkele voorbeelden van kristalvormen van mineralen.
Aantal mineralen
Eind 2008 zijn er iets meer dan 4.300 mineralen beschreven, en elk jaar komen
er tussen de 50 en de 70 bij, na goedkeuring door de International
Mineralogical Association.
In België zijn er 17 erkende mineralen ontdekt:
viaeneďet; richelliet; delvauxiet; destineziet; drugmanniet; hopeďet;
ferristrunziet; koninckiet; vantasseliet; willemiet; ardenniet; ottreliet;
davreuxiet; fraipontiet; halloysiet; graulichiet-(Ce); stavelotiet-(La). Het mineraal viseďet, in
de 19° eeuw beschreven uit de streek van Visé, werd inmiddels gediskrediteerd:
met moderne methodes bleek dat viseďet een mengsel is van crandalliet met
kwarts. Van destineziet werd lang gedacht dat het identiek is met het eerder
beschreven mineraal diadochiet, maar uit recent onderzoek is nu gebleken dat
het toch een zelfstandig mineraal is dat tot het trikliene kristalstelsel
behoort, terwijl diadochiet wel dezelfde samenstelling heeft, maar amorf is.
Variteiten
Vooral bij bekende en veel voorkomende mineralen bestaan er dikwijls namen voor
variëteiten, vooral volgens kleur en vorm: bv. kwarts met de variëteiten
bergkristal, melkkwarts, rookkwarts, morioon, roze kwarts, hyacintkwarts,
amethyst, blauwe kwarts, calkedoon, vuursteen, agaat, sarder, carneool, onyx,
jaspis, scepterkwarts, vensterkwarts enz. Daarnaast zijn er soms namen in de
volkstaal of oude mijnwerkersuitdrukkingen, en vooral nog veel
verouderde synoniemen, meestal uit de 19° eeuw toen veel naar uiterlijk en/of
scheikundige samenstelling werd beschreven: pas met de komst van het
röntgenonderzoek bleek het dikwijls te gaan om kleine verschillen in
samenstelling of om uiterlijke vorm.
De meeste vaste stoffen, zowel natuurlijke als synthetische, zijn kristallijn,
dwz dat hun “bouwstenen” (atomen, ionen, molekulen) volgens een regelmatig en
telkens herhaald patroon gerangschikt zijn. Onder ideale omstandigheden kan
zich dat uiten in vrije kristallen met platte vlakken en rechte ribben (bv.
bergkristal) maar ook een kwartskorrel in een gesteente is in feite een
kristal, al is dat niet aan de buitenkant te zien.
Kristalstructuur van calciet.
Kristalvormen van calciet.
De kristallen worden in 7 stelsels onderverdeeld op grond van hun symmetrie
(spiegelvlakken, draai-assen en symmetricentrum):
kubisch, ook wel regulair of isometrisch geheten
tetragonaal
(ortho)rombisch
monoklien
triklien, ook wel anorthisch geheten
hexagonaal
trigonaal, ook wel romboëdrisch genoemd; soms wordt dit als een onderdeel van
het hexagonale stelsel beschouwd
Eénzelfde scheikundige verbinding kan op verschillende wijzen kristalliseren:
het gaat dus telkens om een ander mineraal, bv. CaCO3als calciet,
aragoniet en vateriet; FeS2 als pyriet en markassiet.
Kristallen van pyriet.
Kristal van markassiet.
Omgekeerd kunnen verschillende verbindingen hetzelfde kristalrooster hebben,
maar het gaat dan ook weer telkens om andere mineralen omwille van de
verschillende samenstelling, bv. in het trigonale stelsel CaCO3als
calciet, MgCO3als magnesiet, FeCO3 als sideriet, MnCO3
als rhodochrosiet, ZnCO3 als smithsoniet, CoCO3 als
spherocobaltiet, NiCO3 als gaspéiet en CdCO3 als otaviet.
Een beperkt aantal mineralen is amorf, dwz dat er geen kristalpatroon aanwezig
is: in dat geval moet de bewuste verbinding, om als mineraal aanvaard te
worden, wel duidelijk te omschrijven kenmerken hebben die een identificatie
ondubbelzinnig mogelijk maken.
Sommige mineralen vormen nooit of slechts zelden (zichtbare) kristallen, andere
zijn alleen als kristallen bekend. Een mineraal kan altijd eenzelfde of slechts
een paar vormen hebben (die natuurlijk tot het eigen stelsel behoren!), terwijl
een aantal mineralen in vele tientallen of zelfs honderden vormen optreden:
daarvan alleen zou een verzameling mogelijk zijn.
Kristalvormen van granaat.
Een speciaal geval zijn de “pseudomorfoses”, mineralen die de plaats en
gedaante van een eerder bestaand kristal innemen; vbn. zijn kwarts dat
aragoniet, bariet of fluoriet vervangt, limoniet dat de plaats inneemt van
pyriet. Dit kan erg bedrieglijk zijn omdat de uiterlijke vorm die van het
oorspronkelijke mineraal is terwijl de samenstelling die van het nieuwe
mineraal is (dat een andere bouw en kristalvorm heeft).
Wetenschappers gebruiken speciale werkwijzen om de bouw en samenstelling van
mineralen te bestuderen: de microsonde voor het bepalen van de samenstelling,
röntgenonderzoek van poeder of van vrije kristallen, optisch onderzoek, spectra
in verschillende golflengtes, gedrag bij verhitting enz. Daarnaast zijn een
aantal eenvoudige hulpmiddelen, die ook door amateurs kunnen gebruikt worden:
Splijting van calciet.
bepalen van de hardheid volgens Mohs door vergelijking met een reeks
standaardmineralen
de streek, die ontstaat door met een mineraal over ongeglazuurd porselein te
strijken
de kristalvorm en splijting
kleur en glans
(soortgelijk) gewicht
de paragenese, dat wil zeggen welke mineralen samen voorkomen
enkele eenvoudige scheikundige proeven, die snel kunnen aantonen welke
elementen wel of juist niet in een onbekend mineraal zitten
Ervaring is daarbij door niets te vervangen, maar die moet wel opgebouwd
worden, door bekijken van mineralen in verzamelingen, museums, winkels;
gesprekken met ervaren verzamelaars; door lezen van boeken en in zich opnemen
van illustraties; door veldwerk. Tenslotte kan men zich ook aansluiten bij
verenigingen, waar dikwijls meer ervaren leden kunnen helpen. Wanneer geen van
deze mogelijkheden helpt, kan men als laatste oplossing een beroep don op
vakmensen. Het is trouwens zo dat vele nieuwe mineralen ontdekt worden door
liefhebbers.
Sommige mineralen zijn uiterst zeldzaam (minder dan 10 of zelfs maar één enkel
stuk bekend!), andere treden op een beperkt aantal plaatsen op in grote
hoeveelheden, of in kleine hoeveelheden op vele plaatsen. Een beperkt
aantal mineralen zijn bijna overal te vinden, terwijl de aardkorst gevormd
wordt door een heel klein aantal mineralen(families): de veldspaten; kwarts, de
glimmers (of mika’s); olivijn; de pyroxenen; de amfibolen; magnetiet; pyriet en
pyrrhotien; de kleien; calciet en dolomiet. De meeste hiervan zijn silikaten:
deze groep omvat 45% van de beschreven mineralen, en vormt ca. 98% van de
aardkorst.
Ook de grootte kan erg uiteenlopen. Vele mineralen komen alleen voor als
(mikroskopische) korrels, insluitingen of korstjes, terwijl van andere
reuzenkristallen bekend zijn: spodumeen in “stammen” van 90 ton, mika in
splijtstukken van 4 m2, berilkristallen zo groot als een bungalow,
terwijl er groeves aangelegd zijn in één enkel veldspaatkristal (dit wordt
ontgonnen voor keramiek).
Dit zijn de mineralen waaruit op economische wijze een grondstof kan gewonnen
worden , zoals bv. ijzer uit de mineralen magnetiet of hematiet, ofzwavel uit
het mineraal pyriet. Verder kunnen sommige stoffen als dusdanig ontgonnen
worden, zoals grafiet voor potloden en als smeermiddel, of zout en zwavel. Vele
metalen worden als nevenproduct gewonnen zoals cadmium bij de zinkwinning.
Het zinkerts sfaleriet.
In de enge zin zijn ertsen de mineralen zelf waaruit de stof gewonnen wordt, in
de brede zin zijn het de gesteenten die de ertsmineralen in kwestie bevatten.
Hierin zitten dan verder nog onbruikbare mineralen als bv. kwarts of calciet,
die geen metaal of andere stoffen opleveren.
Dit zijn alle mineralen die gegeerd zijn omwille van hun kleur en/of lichtspel.
Meestal gaat het om de zeldzame goed gevormde en heldere kristallen van
mineralen als bv. diamant en topaas, die zo geslepen worden dat hun glans en
lichtbreking maximaal tot uiting komen; soms gaat het om massa’s met een mooie
kleur, bv. turkoois, opaal, malachiet die dan in ronde vorm (“cabochon”)
geslepen worden. Sommige stenen vertonen bij belichting met één heldere lamp
een ster met 4 of 6 armen, met als voorbeelden sterrobijn en diopsiet.
Daarbij moet opgemerkt worden dat de meeste specimens van een mineraal niet
geschikt zijn als edelsteen, omdat ze troebel zijn, barsten of insluitingen
bevatten, geen mooie kleur hebben. Het zijn alleen de zeldzame goed gevormde
stukken die in aanmerking komen om te slijpen, de overige belanden in
verzamelingen, of ze worden gemalen tot slijppoeder.
De bekendste en duurste edelstenen zijn van oudsher diamant, robijn en saffier
(beide vormen van het mineraal korund) en smaragd. Andere bekende soorten zijn
opaal, zirkoon, topaas, chrysoberyl met de variëteit alexandriet, toermalijn,
en kwartsvariëteiten als bergkristal, rookkwarts, citrien en amethyst.
Chrysoberil.
Topaas.
Om niet dof te worden door krasjes moeten edelstenen minstens even hard zijn
als kwarts: dat is alom aanwezig als fijne korreltjes in zand en stof, en komt
zo met alles in aanraking. Om er dus niet door bekrast te geraken en zo dof te
worden, moeten edelstenen minstens even hard zijn, dat betekent dus hardheid 7
op de schaal van Mohs
“Een mengsel van mineraalkorrels, langs natuurlijke weg ontstaan, dat algemeen
verbreid voorkomt en dat een bestanddeel van de vaste aardkorst vormt.
Gesteenten kunnen uit 1 mineraal bestaan (bv. kalksteen en marmer die uit het
mineraal calciet bestaan), of meestal uit een kenmerkend mengsel, in bepaalde
verhoudingen, van 2 of 3 mineralen, zelden meer (bv. graniet bestaande uit de
mineralen kwarts, alkaliveldspaat en glimmer)”.
Gesteenten worden gevormd door stolling van magma, door afzetting van puin van
verweerde gesteentes, of door omvorming van bestaande gesteentes (zowel
stollings- als afzettingsgesteentes). Ze bevatten soms grote en/of mooi
gegroeide mineralen, en als dusdanig zitten er soms stukken gesteenten in een
mineralenverzameling.
Stollingsgesteentes (vulkanische -)
Ze worden gevormd door stolling van magma, ofwel ondergronds (diepte- of
intrusieve gesteentes) ofwel bovengronds (uitvloeiings- of extrusieve
gesteentes). Ze worden verder onderverdeeld op grond van hun samenstelling, in
het bijzonder het gehalte kwarts en veldspaten; ook de soort veldspaat is
belangrijk. Het belangrijkste uitvloeiingsgesteente is basalt, met als
diepte-equivalent gabbro; graniet is een dieptegesteente, met als
uitvloeiingsequivalent rhyoliet.
Afzettingsgesteentes (sedimentaire-)
Ontstaan door de erosie, verwering en afvoeren van bestaande gesteentes, onder
invloed van weer en wind: temperatuursverschillen, planten, invloed van water
en zuurstof. Gesteentes kunnen daarbij vergruisd worden, (selectief) worden
omgezet en/of opgelost, bepaalde bestanddelen kunnen achterblijven enz. Zo
ontstaan massa’s puin en grint, en worden in de zee of in meren opgeloste
stoffen afgezet: lagen zouten, kalksteen en gips. De wind blaast massa’s
zandkorrels samen tot duinen, in zeeën worden kleilagen gevormd, en in meren
vormen zich lagen veen en turf.
Omvormingsgesteentes (metamorfe-)
Ontstaan door omvorming van bestaande gesteentes, zowel stollings- als
afzettingsgesteentes onder invloed van hitte en/of druk. Het kan gaan daarbij
gaan om gebergtevorming, het gewicht van lagen die telkens bovenop de vorige
worden afgezet, de hitte van binnengedrongen magma en van vloeistoffen daaruit
die reageren met bestaande gesteentes. Daarbij kan de structuur van het hele
gesteente ingrijpend worden omgezet, en kunnen nieuwe mineralen ontstaan: deze
leveren informatie over de hitte en druk waaraan het gesteente is onderworpen
geweest.
Belangrijke omzettingsreeksen:
zand - zandsteen - kwartsiet
krijt - kalksteen - marmer
klei - leisteen - schist - gneis
E. Vercammen
Enkele andere interessante artikels over mineralen